Terug
Hoger
“Je vraagt me, wie na de oorlog van groot belang is geweest voor mijzelf en voor de ontwikkeling van de accordeonmuziek in Nederland. Dat is in beide gevallen ongetwijfeld Hohner geweest.
Kijk, na de oorlog was in Nederland op het gebied van nieuwe accordeons niets te krijgen.
Er was een deviezenstop voor instrumenten, er mocht dus niets geïmporteerd worden, we moesten het met de kastjes doen die we hadden. In het buitenland was de technische ontwikkeling van het instrument doorgegaan.
Ik werd afgevaardigd naar de wereldkampioenschappen en ging daar heen met een oud cavalje van een Stradivari. Dat was lachen bij de andere deelnemers met hun mooie kastjes. Maar toch werd ik met mijn oude lijk van de 22 deelnemers nog 9e en dat was voor Hohner aanleiding voor mij een accordeon te laten bouwen door Morino. Ik kreeg als eerste in Nederland een concertaccordeon, 5-korig met quintenregister, geschikt om klassieke muziek mee te spelen. Zoiets vergeet je je hele leven niet meer.
In die tijd had dr. Carl (Hohner) Rudolf Würthner aangetrokken.
Die heeft ongelooflijk veel geschreven voor solisten en orkesten. Soms doen ze hier net of hij alleen maar La Campanella gecomponeerd heeft. Dat heeft toevallig, zeker vroeger, veel bekendheid verworven. Tegenwoordig vinden ze het maar een gewoon stukje, vervelend om te leren. Nou, het is helemaal geen moeilijk stuk maar wel verschrikkelijk moeilijk om het móói te spelen! Dat kunnen er maar heel weinig hoor. Ook al staan er aanwijzingen bij. Die staan trouwens bij alle muziek van Würthner.
Zo ongeveer 1952 ben ik naar Trossingen gegaan en kreeg een contract bij Hohner. Toen heb ik ook Rudolf Würthner voor het eerst horen spelen. Zijn orkest speelde het eerste concert dat hij voor accordeon geschreven had met hemzelf als solist. Grandiooooos, zoals die man speelde. Meer dan prachtig.
In die tijd begon het accordeon een beetje niveau te krijgen.
Voor mij zijn het de mensen van Hohner geweest die het accordeon een goede naam hebben bezorgd. Want die hebben kapitalen uitgegeven om goede muziek te laten schrijven.
Niet alleen door Würthner maar ook door Bremen, Hermann, Schittenhelm, noem maar op, Friedrich Haag.
In Nederland heeft Hohner, in de persoon van de heer van Trigt, ontzettend veel gedaan. Als die er niet geweest was was het accordeon misschien nog steeds niet erkend op het conservatorium.
Er is een tendens om te doen of vroeger niets gedaan is, of er geen klassieke cultuur was. Neem bijvoorbeeld Arie Willems, die heeft heel veel, heel goed gedaan, een hoop werk verzet.
Klassieke muziek? In die tijd speelden we allemaal klassiek. Zelf heb ik met het Nederlands Kamerorkest gespeeld in het concertgebouw, bijvoorbeeld muziek van Paul Hindemith. In Krasnapolsky speelde ik ook klassieke muziek, werd ik bijna gelyncht, want er was toen een enorme weerstand tegen klassiek op accordeon. Wat we ook deden was spelen uit het boek van Würthner: die Groβe Nummer.
Die werken zijn op, zeg maar, conservatoriumniveau. Er zijn er nu op het conservatorium die dat niet kunnen spelen. Ja, schrijf dat maar gerust op, want het is zo.
Rudolf Würthner was een zeer correcte man, een Pietje Precies en heel muzikaal. Ik was vier jaar aan de firma. Hohner verbonden en heb er ontzettend veel geleerd.”
Wordt vervolgd.