Terug
Hoger
‘Trikitixa’ - volgens Robert Tromp
een van de mooiste namen van ons instrument.
Vorige keer waren we gebleven bij de Noord-Italiaanse drierijer met halvetoonsafstand tussen de rijen onderling en accordeonbassen. We staan nu op een splitsing: we kunnen doorgaan met typen met halvetoonsafstand (chromatisch dus) en komen dan in Ierland terecht, of kiezen voor een type met gelijktonige bassen en dan komen we in Zwitserland uit. Omwille van de geografische logica gaan we maar van Italië naar Zwitserland.
De Zwitsers hebben ook behoorlijk wat vernuft getoond bij het aanpassen van hun harmonica’s.
De oudste modellen uit Zwitserland waren eenrijers: de zogenaamde Langnauer Orgeli. Zelfs bij deze eenvoudige instrumenten hadden de Eedgenoten al iets bijzonders uitgevogeld. In het aan de harmonica gebouwde bashuis (iets wat de meeste eenrijers hebben) is een‘Schnarchlibas’ gezet: dit houdt in dat op de voorkant van deze uitbouw twee bassen zitten: de grondbas en het akkoord. Op de achterkant zit de Schnarchlibas. Dit is een grondbas die een octaaf lager klinkt dan de normale grondbas.
Later werden de Orgeli groter en er verschenen tweerijers met vier bassen en drierijers – waarvan de derde rij de halve noten bevatte – met acht bassen.
Deze bassen lagen bij deze harmonica’s op één lange rij:
Dit alles wisseltonig en de harmonica’s hadden nog steeds alle bassen op een apart bashuis. Later zijn de bassen gelijktonig geworden en werd het aantal uitgebreid tot achttien. Ook het bashuis verdween. Anders dan bij verreweg de meeste accordeons en harmonica’s zijn de bassen niet op de voorkant maar op de zijkant van het instrument geplaatst; net als de knoppen bij de concertina en het bandoneon.
De basknoppen liggen in twee halvemaanvormige rijen: één voor de grondbassen en één voor de akkoorden.
Een verdere bijzonderheid van de Schwyzerörgeli, zoals de instrumenten genoemd worden, zit verborgen in het binnenste. De tongen zijn namelijk niet op blokken bevestigd – hetgeen bij‘onze’ harmonica’s wel het geval is – maar in een grote ‘Resonanzkasten’. Hierdoor hebben de Schwyzerörgeli een mooie, warme klank.
Veelal speelt men in Zwitserland in orkestjes van twee Schwyzerörgeli en een contrabas (soms een piano) en af en toe een klarinet.
Ook in het Baskenland speelt men trekzak.
De Basken gebruiken de harmonica om de locale dansen als fandango en arin-arin te begeleiden. En dit op zeer virtuoze wijze.
De harmonica’s waar de Basken op spelen zijn tweerijers met twaalf gelijktonige bassen. Deze bassen zijn twee aan twee gerangschikt; net als bij de‘normale’ trekzakken: een grondbas onder en het bijbehorend akkoord erboven. In het Baskenland worden ook wedstrijden in het harmonicaspel gehouden. Men speelt dan in duo-vorm met een tamboerijn samen. Dit is de traditionele Baskische bezetting.
Vaak wordt er ook bij gezongen. Dit heeft hoogstwaarschijnlijk bijgedragen aan het hoge spelniveau van de Basken. Het verhaal doet trouwens de ronde dat de trekzak in het Land der Basken terecht is gekomen via Nederlandse vissers of zeelieden.
Of het waar is???? ….. Wie het weet mag het zeggen.
Tot slot van dit Baskische verhaal wil ik de lezers de Baskische naam voor de trekharmonica niet onthouden, namelijk: trikitixa. Naar mijn mening één van de mooiste namen voor ons instrument.
Van het Baskenland maken we een zeereis naar ‘The Green Isle’: Ierland dus.
Zoals gezegd spelen de Ieren op harmonica’s met een halve toon afstand tussen de rijen onderling. Dus B-C, C-Cis, Cis-D of D-Dis. Het zijn dus altijd tweerijers (alhoewel men ook wel eenrijer speelt).
Als je een trekharmonica B-C hebt, heeft deze de bassen van een G-C. Er wordt vooral vanuit de binnenrij gespeeld. Als men in andere toonsoorten wil spelen dan is het zaak om de benodigde halve noten van de buitenrij te halen. Omdat je in die andere toonaarden dus vaak niet met de bassen uitkomt, worden deze slechts zeer spaarzaam gebruikt. En zeker niet als puur ritmische ondersteuning zoals wij gewend zijn dat te doen.
De Ieren spelen vaak lang aangehouden basnoten (afgekeken van het gebruik van de regulators op de Ierse doedelzak) of een kort stukje ritmisch‘gebas’ daar waar het kan en laten verder de bassen weg.
Goede voorbeelden van Ierse harmonicaspelers zijn Jackie Daly en Martin O’Connor.
We eindigen ook deze keer weer in Italië.
In het zuidelijk deel van dit land: in de Abruzzen heeft men de zogenaamde anderhalfrijer geconstrueerd. In het plaatselijk dialect noemt men dit instrument ‘du bott’ (= twee bassen). Waarmee we meteen de baskant gehad hebben.
Interessanter is de melodiekant. De du bott heeft één rij van negen knoppen plus een hulprijtje van drie – vaak iets kleinere – knopjes. Deze drie knoppen hebben dezelfde noten onder zich als de knoppen vier, vijf en zes van de hoofdrij, maar dan op de omgekeerde balgrichting. Omdat je dan minder hoeft te heen-en-weren en over de hulprij kunt spelen, wordt het spelen van snelle tarantella’s gemakkelijker.
Tot zover deze keer. Volgende keer gaan we verder op onze reis door harmonicaland.