Terug
Hoger
Robert Tromp: “ ….. er is op harmonicagebied meer te koop dan het doorsnee Hohner Goudbrandje in C-F…...”
Je zou denken: een trekzak is een trekzak (liever trekharmonica, maar de term: trekzak is vooral in de folkwereld volledig ingeburgerd), en in Nederland is dit ook vaak wel het geval.
Als je echt eens over onze grenzen gaat kijken, dan ontdek je dat er op harmonicagebied meer te koop is. In vele landen heeft men het instrument dusdanig aangepast dat het geschikter is geworden voor de muziek die men in het desbetreffende land wenst te spelen. Aldus is er een heus woud aan typen harmonica’s ontstaan, waarin je al snel door de bomen het bos niet meer ziet.
In dit artikel wil ik enkele vormen van de trekzak zoals die in Europa voorkomen (summier) onder de loep nemen. Het zal hierdoor – hoop ik – duidelijk worden dat er op harmonicagebied meer te koop is dan het doorsnee Hohner Goudbrandje in C-F.
Een harmonicatype dat ook in ons land voorkomt is de lepelbasser.
Het meest in het oog springende kenmerk van de lepelbasser is de baskant. In plaats van knoppen heeft dit instrument hier lepelvormige kleppen. Een “normale” lepelbas tweerijer heeft tien bassen; vaak echter ook wel veertien of meer. Opvallend is dat de zogenaamde “tienbassers” geen mineurakkoorden hebben. Lepelbassers met drie melodierijen hebben vaak een afwijkende stemming. Normaal staat een drierijer in G-C-F, C-F-Bes of A-D-G, enzovoort. Een lepelbasser heeft echter vaak als stemming C-F-E of A-D-Cis. Dit geeft meer mogelijkheden om chromatisch te spelen.
In Nederland wordt de lepelbasser vooral bespeeld in Noord-Brabant.
Een Oostenrijkse uitvinding die ook in Nederland opgang heeft gemaakt is de Steyerische (of Steirische) Harmonica. De ‘Steier’ wordt in ons land vooral in Zuid-Limburg bespeeld, waar men dit instrument meestal “Wiener” noemt. Behalve in Limburg kent de Steier de laatste tijd ook enthousiaste bespelers in het oosten des lands en in Friesland.
Dit instrument is destijds met arbeiders uit Tsjecho-Slowakije (Bohemen) en Joegoslavië (Slovenië), die in Limburg in de mijnen kwamen werken, in ons land terechtgekomen.
En tegenwoordig speelt men op de Wiener nog steeds muziek ‘aus alpenländischen Gegenden’. Het meest opvallende aan de Steier is qua geluid de zware klank van de zogenaamde Heliconbassen. Deze bassen klinken bijna als een tuba. Qua uiterlijk is de Steier opvallend door het vele metaalbeslag op de kast. Onder andere de bekende trompetjes aan de baskant.
Meestal heeft de Wiener aan de melodiekant drie of vier (soms zelfs vijf) rijen knoppen, die alle met uitzondering van de buitenste rij een gelijktonige knop in het midden van hun bereik hebben.
Dit zijn bij mijn weten de enige twee soorten harmonica’s die in Nederland naast de ‘gewone’ tweerijer worden bespeeld. Met die gewone tweerijer is in ons land ook nog iets aan de hand: veel spelers draaien vaak de tongen van de vijfde knop op de binnenrij om, zodat het gemakkelijker wordt om vloeiend over twee rijen te spelen. In tegenstelling tot wat vaak beweerd wordt is dit draaien niet zo typisch Nederlands: het is hoogstwaarschijnlijk vanuit België ons land binnengekomen. En zelfs in Finland doet men dit!
Waarmee we dus in het hoge noorden terecht zijn gekomen.
Behalve dat men de vijfde toets draait, sleutelt men in Finland nog meer aan zijn/haar harmonica.
Aangezien veel Finse muziek in mineur staat, heeft men de bassen hieraan aangepast. En wel op twee verschillende manieren. Bij één systeem heeft men de wisseltonige bassen (tasabasso) veranderd. Bij het andere systeem heeft men op de harmonica gelijktonige (accordeon)bassen (ristibasso) ingebouwd. Echter maar twee rijtjes: één voor de grondbassen en één voor de akkoorden. Ik geef hier schemaatjes van deze systemen in vergelijking met de bij ons gebruikelijke bassen. Dit alles voor een G-C harmonica, daar men in Finland voor het overgrote deel op G-C speelt.

Zo hebben de Finnen dus een manier – of eigenlijk twee manieren – gevonden om meer mineur op een tweerijer te kunnen spelen. Een mooi voorbeeld hiervan is de Finse speler Teppo Välimäki (Teppo Välimäki – Tupatanssit: Olarin Musiikki OMLP 19).
Ook in Italië – en dan speciaal in Noord-Italië – kent (kende?) men een harmonicatype met gelijktonige accordeonbassen. Het is hier echter vaak een model met zo’n 40 à 48 bassen en drie rijen aan de melodiekant. De bassen zijn vaak geordend in vier rijen: een grondbas, voor elke grondbas een majeur- en een mineurakkoord plus nog voor iedere grondbas een tertswisselbas. De rijen aan de melodiekant staan vaak in een halvetoonsafstand van elkaar. Een drierijer is dus niet zoals vaak bij ons gestemd in G-C-F, maar in B-C-Cis. Het grote voordeel hiervan is dat je chromatisch kunt spelen. Het grote nadeel is dat je heel veel moet “heen-en-weren”.