Terug
Hoger
In het begin van deze eeuw waren er geen gekwalificeerde docenten, er was geen muziekschool en geen conservatoriumopleiding waar je je kon bekwamen in het bespelen van het accordeon.
Componisten van klassieke signatuur schrijven niet voor het instrument, wat trouwens nog veel technische onvolkomenheden heeft.
Gevolg: in het (klassieke) kunstcircuit een zeer lage status en dito bejegening.
In het volkskunstcircuit en vooral in de amusementswereld was dat geheel anders.
In alle uitgaansgelegenheden, restaurants en cafés werd accordeonmuziek onmisbaar geacht als begeleiding of solo-instrument.
Een van de accordeonisten die in deze periode, globaal genomen van 1920 tot 1960, actief deelgenomen heeft aan dit populaire muziekleven is Jan Stuivenberg. Als hij vertelt rolt een eindeloze reeks namen van deels vergeten, deels nog bekende artiesten over de tafel.
Een dubbeldikke KLANK zou nog niet voldoende zijn om als zijn verhalen weer te geven dus we zullen ons moeten beperken.
Jan Stuivenberg:
“Toen ik begon met accordeonspelen, of eigenlijk was dat harmonicaspelen, was dat per ongeluk. Mijn vader repareerde altijd van alles en iemand had hem een harmonica gebracht waar iets aan gesoldeerd moest worden.
Ik stiekem oefenen op dat ding en na een paar uur speelde ik een smartlap uit die dagen (1923 – ik was negen jaar) en die had als titel zoiets van: Ik schuw en walg van het leven. Mijn ouders vonden het prachtig en ik kreeg een 2-rijer van drie gulden. Mijn vader kende Van den Heuvel, dat was toen in het Gooi een bekende accordeonist die prachtig kon improviseren, en deze man hoorde mij en adviseerde mijn vader voor mij een chromatisch instrument te kopen. Wij hadden dat woord nog nooit gehoord, maar goed, ik kreeg een zo goed als nieuwe accordeon en gelukkig les van Van den Heuvel. Want waar moest je anders je les halen? Ik kreeg geen notenleer, ik moest leren door mijn leermeester na te doen.
Mijn leraar speelde in een café bij de Havenstraat in Hilversum en toen ik dertien jaar was moest ik met hem mee om een half uurtje te spelen. Ik vond dat heel eng om voor al die mensen te spelen, had angst dat ik zou blijven steken, maar goed, je deed het.
Fred Roosendaal, een accordeonist uit Amsterdam, kwam daar ook eens. Zeventien jaar, een Garibaldihoed op, snorretje, flair, ik was diep onder de indruk. Hij zei tegen me: “Dat wordt wel wat met jou.” Trots was ik. Soms moest ik van mijn leraar een paar uur invallen op een feest, terwijl hij nog ergens anders moest optreden. Kreeg ik een grote 5-rijer van hem te leen. Dat was natuurlijk een uitdaging. Ik kende 25 liedjes plus Lang-zullen-ze-leven en als ik daarmee klaar was begon ik weer van voren af aan.
Door omstandigheden kreeg ik geen les meer en omdat het me hinderde dat ik geen noot kon lezen al was hij zo groot als een koe heb ik mezelf moeizaam via een Duits boekje muziek leren lezen. Nu staan er symbolen onder de noten maar vroeger had je alleen maar pianomuziek.
Dus toen ik mineur, septiem of plusakkoord kon vinden op mijn accordeon, ik had iets bedacht om piano om te zetten naar accordeon, kon ik ook meer klassiekere stukken gaan instuderen. Maar evengoed, ik was zeventien jaar en moest geld verdienen. Ik kreeg een baan bij een bekende dancing, Van Schayk, in Hilversum. Het hele weekeinde spelen. Als je applaus kreeg moest je hetzelfde nummer nog een keer spelen. Zo ging dat vroeger.”
En als het publiek vier keer klapte?
“Dan speelde je het vier keer. Na een poosje kwamen mensen naar me toe om les te krijgen en na een paar jaar had ik al zo’n veertig leerlingen per week. Met ons Zondagochtendclubje traden we ook op voor de radio. Daar moet ik nog ergens een foto van hebben. De radio had heel veel programma’s met accordeonmuziek, maar bijna allemaal van licht gehalte.”
Bij Van Schayk traden ook Wessel Ilcken en Rita Reys op, begeleid door het accordeon van Jan. In 1935 ging hij echter naar Amsterdam om daar onder andere in de Don Quichotte bar op te treden. De concurrentie was groot dus er moesten naast het muzikale ook andere attracties worden bedacht om op te vallen. Zo trad Jan ook eens een paar maanden op met een lid van de bekende familie Hes, een tapdanseres. Ze speelde welgeteld één liedje op een klein Hohnertje, voldoende om samen spelend op te komen. Dan zette ze haar kastje weg en tapte verder.
Toen de oorlog in 1945 was afgelopen kwam Bob Verstraete in een grote Amerikaanse jeep naar Jan Stuivenberg om hem te vragen voor de Amerikanen te spelen. Een gouden tijd. Tien minuten spelen voor 100 sigaretten. Samen weer met Rita Reys, boogie-woogies. Aan die sigaretten had je meer dan aan een honorarium van 200 gulden. In de oorlog had Jan alles moeten verruilen voor eten, na de oorlog kreeg hij alles voor sigaretten weer terug.
“Wat ook leuk was en geweldig voor mijn kinderen was een aanbieding om in een tearoom tegenover de AVRO te spelen. Mijn kinderen hadden nog nooit een taartje gegeten en ik bracht iedere dag taartjes mee naar huis.”
Daarnaast was er radiowerk met Harry de Groot, Johnny Holzhuizen, Jan Pet, Harry Mooten, noem maar op. Jan Pet had in die tijd een eigen tango-orkest. Misschien zijn er lezers van KLANK die dat nog weten. Verder waren er veel Vaudevilleorkesten. In de artiestenbeurs in de Nes kwam Jan Stuivenberg Fred Roosendaal weer tegen die werk voor hem had in een chique zaak, de Don Juan, aan de Munt. Later is dat het Muntcafé geworden.
“Ik moest daar Weense muziek spelen, Hongaarse muziek, voor mij allemaal logische muziek. Je weet als het begint hoe het verder gaat, het gaat nooit zijpaden in zoals sommige hedendaagse muziek doet. Toen was alle amusementsmuziek zo.
Daarna contracten gehad in alle zaken van het Leidseplein en omgeving, op tournee geweest in het gezelschap van Rooie Sien met Irma la Douce, een cruise gemaakt als accordeonist naar Australië, grandioos was dat. De hele dag in de zon liggen, vier uur per dag spelen. In de eerste klasse beschaafde salonmuziek, in de tweede klasse Daar-bij-die-molen. Wat ik toen beleefd heb, nee, dat mag allemaal niet in KLANK.
Vervolgens op de Nieuwendijk met Jan Gorissen, Harry de Groot en niet te vergeten Johnny Meyer. Voor mij is Johnny Meyer een van de grootste jongens van Europa. Die speelt een tango alsof er drie man aan het spelen zijn, die speelt Hongaars als een violist, die speelt jazz; een fenomeen en ook nog een aardige vent. Ik heb nog steeds contact met hem.
Ik heb meegemaakt dat hij zaterdags de hele dag op straat in Hilversum stond te spelen, vroeger stonden de beste muzikanten op straat te spelen, ’s avonds speelde hij dan bij de Vara voor de radio en daarna tot diep in de nacht in zijn café in Amsterdam. En heus niet voor het geld want dat interesseerde hem niet. Een all-round musicus.”
Toen Jan Stuivenberg 52 jaar was werd hij plotseling zo ziek, dat hij niet meer kon spelen. Dankzij zijn geweldige vrouw Thea, die door keihard werken en allerlei initiatieven zorgde dat ze er – ook financieel – niet onderdoor gingen, kon hij na drie jaar weer les gaan geven.
Jan, nog ’n leuke herinnering. Schiet je iets te binnen?
“Vijfendertig jaar geleden werkte ik in een restaurant, Wiener Wald, in Den Haag. Ik liep langs de tafeltjes te spelen en een gast vroeg mij in gebroken Duits: “Kennen Sie spielen die schwarze Zigeuner?” Dat was de Russische clown Popov, die dineerde daar met zijn vrouw. Ik heb de hele avond voor hem gespeeld en later ook nog met hem gesproken. Dat was een boeiende man, die zou ik nog wel eens willen ontmoeten.”
Hij is op het ogenblik met zijn circus in Nederland…
“Ja, ik zie me al naar hem toe gaan. Mijnheer Popov, ik ben nu 35 jaar ouder maar weet u nog dat ik in 1955 in Wiener Wald voor u gespeeld heb? Nee…
Toen ik eens drie weken op bed moest liggen als gevolg van een hersenschudding ben ik begonnen met componeren. Voor het dansorkest van Klaas van Beek, de Hodlars, Tom Erich, Eddy Christiani, Johnny Meyer. Allemaal amusementswerk. Het laatste wat ik geschreven heb is een tango voor mijn kleindochtertje Lisanne. Zo is ook de titel.
Druk hem maar af voor de abonnees van KLANK met mijn beste wensen voor 1992!.”