Terug
Hoger
‘Onze Familie’ is de artikelenserie over de historie van het accordeon en zijn verwanten door Johan de With.
Het eerste nummer van KLANK, oktober 1990, 1e jaargang nummer 1 opent ermee. Zoals alle volgend verschenen nummers van KLANK ermee geopend zijn.
Veel mensen zijn erg geïnteresseerd in familiebetrekkingen; vaak niet alleen die van henzelf, maar ook van dorps- en streekgenoten: van wie ben jij er een? Die interesse komt niet alleen voor in boeren- en arbeidersgezinnen, maar is voor de adel zelfs altijd van ‘levens’belang geweest en is (of: was?) vaak ook onder ‘grote’ zakenmensen een belangrijk punt, meestal uit machtsoverwegingen.
Het blad dat U nu leest is in zekere zin een familieblad: vormen accordeonisten en harmonicaspelers niet een soort familie?
Het blad discrimineert daarbij volstrekt niet; het kent geen ‘zwarte schapen’ of elite onder de instrumenten en vraagt niet naar geboortebewijzen (lidmaatschappen van organisaties).
Het lijkt me daarom wel aardig, eens na te gaan wie er allemaal tot onze familie behoren en hoe hun onderlinge verwantschappen in elkaar zitten. Mensen die hun stamboom uitpluizen komen daarbij menigmaal tot onverwachte en soms schokkende ontdekkingen.
Vluchtige vrijages spelen een grotere rol dan vermoed of gehoopt werd (wat het reconstrueren van de echte stamboom uiterst lastig kan maken, vooral wanneer ‘gastarbeiders’ uit vroeger eeuwen er een rol in gaan spelen…), en sommigen moeten zelfs met schrik constateren dat ze een oneven aantal voorouders hebben.
Zo is ook van het accordeon en zijn verwanten de stamboom uiterst gecompliceerd: vele ‘vaders’ van familieleden (lees: mensen die zeggen een bepaald type te hebben uitgevonden) blijken in werkelijkheid hoogstens stief-, schoon- of pleegvaders, en niet altijd is de natuurlijke vader op te sporen, na zoveel jaar.
Wie mogen we nu nog tot de familie rekenen en wie niet?
De voornaamste regel die ik zelf hanteer is: als de toonbron van een instrument dezelfde is als bij accordeon en harmonica, zal ik het beschouwen als directe familie; betreft de overeenkomst andere eigenschappen, dan denk ik hoogstens aan mogelijke verre verwantschap.
Omdat die toonbron de doorslaande tong is (waarover straks meer), horen naast Engelse concertina’s, Duitse Konzertina’s en Bandonions en diverse harmonica- of ‘trekzak’- typen bijvoorbeeld ook harmoniums, mondorgels en zelfs stemfluitjes tot de grote familie.
In adellijke kringen wordt in het algemeen grote waarde gehecht aan de lengte van de stamboom: hoe eerder de oorspronkelijke stamvader leefde, hoe deftiger en voornamer het geslacht.
Als we deze redenering volgen is onze instrumentenfamilie van zeer oude adel: instrumenten met doorslaande tong zijn met grote waarschijnlijkheid de oudste meerstemmige blaasinstrumenten en worden al in de geschriften van rond 1100 voor Christus genoemd (al moet ik helaas toegeven dat er in de achttiende eeuw nog wat ‘gaten’ in onze stamboom zitten….).
Niet alleen wordt ons instrument door sommigen wat neerbuigend bestempeld als ‘het varken onder de muziekinstrumenten’, maar ook hangt er voor een aantal mensen een wat alcoholisch waas omheen (al komen zoals bekend drankzucht en zwijnerij ook in hogere kringen voor..).
Het spreken over een ‘doorslaande tong’ leidt dan ook wel eens tot een wat besmuikt gegrinnik bij onze gesprekspartner.
Dit berust natuurlijk op onkunde (en wellicht ook vooroordelen) van zijn kant, en als we hem dat duidelijk onder de neus kunnen wrijven is er al veel gewonnen; mits we zelf uiteraard wèl goed weten waar we het over hebben en hoe het eigenlijk zit met de indeling van instrumenten in diverse soorten.
De vroegere indeling (snaarinstrumenten, blaasinstrumenten en slaginstrumenten) bleek niet meer erg praktisch toen aan het begin van deze eeuw meer bekend werd over instrumenten van buiten Europa (trouwens, ook een simpel Nederlands volksinstrument als een rommelpot valt er al niet meer goed in te plaatsen, al zou het met een knipoogje naar het varken wel ‘blaas’instrument kunnen heten).
Musicologen gingen over op het tegenwoordig algemeen aanvaarde indelingsprincipe naar vier basis-toonbronnen: snaarklinkers (‘chordofonen’), luchtklinkers (‘aërofonen’), velklinkers (‘membranofonen’) en zelfklinkers (‘idiofonen’): die laatste klasse omvat instrumenten als xylofoon, bekken (niet de maar het!), en dergelijke.
Het zal duidelijk zijn dat ons instrument tot de luchtklinkers, de aërofonen, behoort.
Een deel daarvan werkt op basis van luchtwervelingen (door blaaslucht): fluiten, blokfluiten, en dergelijke; een ander deel maakt zijn geluidstrillingen door middel van langwerpige reepjes elastisch materiaal; als dat materiaal een rietsoort is, spreekt men van ‘rieten’ (hobo, klarinet, doedelzak), anders meestal van ‘tongen’ (Engelsen noemen overigens beide soorten ‘reeds’).
Bij de hobo is er sprake van een dubbelriet (twee tegen elkaar slaande rieten). De klarinet heeft een enkele riet, dat iets groter is dan de luchtopening waarboven het ligt, op het mondstuk; bij het spelen raakt het in trilling, en sluit daardoor beurtelings die opening af (door er overheen te liggen) en laat die weer vrij, en omdat het dus steeds (honderden keren per seconde) op het mondstuk slaat, van een opslaande tong of riet. Ook ‘tongwerken’ in kerkorgels werken meestal op die manier.
Doorslaande tongen fungeren bijna net zo, maar zijn altijd een fractie van een millimeter kleiner dan hun luchtopening, zodat ze bij het heen en weer trillen door die opening heen en weer slaan; ook hierdoor wordt het luchtgat steeds even afgesloten, maar nu doordat de tong zich op dat moment precies in die opening bevindt (en daarna weer verder ‘doorslaat’ en zo de lucht weer doorlaat).
Wel, we kennen na dit wat zure appeltje de familietrekken; misschien mag ik een volgende keer wat verwanten de revue laten passeren, al moet ik bekennen dat het verschil tussen ooms en tantes mij persoonlijk ook bij meer diepgaand onderzoek niet altijd duidelijk is.
De hoofdartikelen over de historie van het accordeon en zijn verwanten zijn in 2006 in boekvorm verschenen onder de titel: ‘Draagbaar, meerstemmig, expressief’. Van dit eerste Nederlandstalige naslagwerk zijn nog een beperkt aantal exemplaren verkrijgbaar.
Hier vindt u meer informatie over ‘Draagbaar, meerstemmig, expressief’ en de bestelwijze.